De Korenmolen aan de Harmelerwaard

De Korenmolen aan de Harmelerwaard omstreeks 1740

De Korenmolen aan de Harmelerwaard omstreeks 1740

Harmelen heeft in het verleden verschillende molens gekend, zoals de Haanwijkermolen, de Dammolen, de Middelste Molen (achter gemaal Adriaan), de Gerverscopermolen, de Grote en de Kleine Houtdijkermolen, de Breudijkermolen en de Breveldse Molen en natuurlijk de Korenmolen. De molenwijk herinnert hier nog aan. En de Molenbrug herinnert ons nog aan de korenmolen, die daar eens zijn werk deed. Het zal niemand ontgaan zijn dat er “op de hoek van de Harmelerwaard” bij de Molenbrug veranderingen op til staan. Op deze plek komt de nieuwe vestiging van Aannemersbedrijf Kwakkenbos, dat van de Nijverheidsweg naar deze historische plek verhuist. Tot nu toe zijn alle activiteiten op die plek gerelateerd geweest aan korenmolens, te beginnen met de eerste korenmolen in de 17e eeuw. De komst van het aannemersbedrijf is een duidelijke breuk in de historie. Daarom vonden wij het nodig aandacht te schenken aan deze historie.

Al in de oudheid maalden mensen hun graan; aanvankelijk met twee over elkaar wrijvende stenen, later met ronddraaiende handmolens of kweerns, weer later met watermolens of windmolens. In het verleden rustten hetwindrecht of de rechten op het malen van graan bij de plaatselijke heersers. In de zogenaamde banmolens of dwangmolens moest men op last van de plaatselijke heerser het graan laten malen, waarvoor een provisie betaald moest worden. Pas in de Franse tijd kwam in de Lage Landen een einde aan deze feodale regeling.

Door het windrecht waren hoge bomen en bebouwing in de omgeving van de molen verboden. Is dit misschien de reden dat onze korenmolen aan de “verkeerde” kant van de Oude Rijn staat, of omdat hij op het terrein van de eigenaar die op het kasteel Harmelen woonde werd gebouwd? Het was in ieder geval vrij lastig, want voordat de Molenbrug hier kwam in 1960 moesten het graan en meel met een vlet worden overgevaren.

De eerste schriftelijke vermelding over een molen ‘op de hoek van de Harmelerwaard’ betreft ene Jan Petersz. Van Hardenberch als korenmolenaar in 1640. Op een kadastrale kaart uit 1615 staat echter al een molen ingetekend op deze plaats aan de Harmelerwaard. De Harmelerwaard was toen een voetpad dat op besluit van de Staten van Utrecht, van Utrecht tot Harmelen “tot gerief van de passerende man” werd aangelegd. Het was een Zandpad, breed acht voetmaten, waarvoor enkele huisjes verplaatst moesten worden. Niemand mocht het Zandpad berijden “op poene van ses guldens”. Alleen Z.H. de Prins van Oranje met gevolg en personeel waren hiervan uitgezonderd. In 1698 werd ’s-Heerenweg van Harmelen tot Bodegraven gezand en gepuind.

Uit pentekeningen blijkt dat in 1740 deze molen, een standerdmolen (een houten kast op een centrale standaard), reeds vervangen was door een zogenaamde houten achtkante grondzeiler. Er was toen een brug tegenover de huidige boerderij van Van Schaik, waarvan de sporen nu nog te zien zijn door een lichte verhoging aan de oevers van de Leidse Rijn.

In 1777 wordt de molen met woonstee vervangen door een stenen variant: korenmolen “Om te Leven”. Het molenaarshuis is ondertussen uitgebreid met een rosmolen, een door paarden aangedreven molen in tijden van windstilte.

De korenmolen was oorspronkelijk een dwangmolen, waar de boeren uit Harmelen, Reijerscop-Creuningen en St.Pieter, Kamerik-Houtdijken en een gedeelte van Vleuten tot de Franse tijd (1795) verplicht waren hun graan te laten malen. Gerverscop, Breudijk en het gerecht Indijk vielen dus buiten het district van de Harmelense molen. De molen was eeuwenlang het eigendom van de ambachtsheer van Harmelen, die de molen in erfpacht uitgaf.

Zo was de molen in 1832 in eigendom van Adriaan van Beusechem van Harmelen, terwijl molenaar Egbertus Schiveen bij het kadaster te boek stond als erfpachter. Overigens bezat de familie Schiveen ook een bakkerij in het dorp. In 1837 kreeg broodbakker Thomas Korrel toestemming om enige tijd bonen te laten malen op de molen met het oog op de productie van veevoer.

molen 02 molen 03

molen 04
Omstreeks 1860 verbrandt deze molen, wellicht tengevolge van blikseminslag en werd er in 1862 een forse achtkante stellingmolen, ’s-Heeren Korenmolen, gebouwd in opdracht van de Ambachtsheer van Harmelen, Adriaan de Joncheere. De molen was een typisch Utrechtse achtkant met een stenen voet (begane grond en 1e verdieping onder de stelling) en houten weeg, de achtkant en kap met riet bedekt. Waarschijnlijk is gebruik gemaakt van een oude poldermolen (de molen had geen luizolder). In 1868 werd de molen gekocht door pachter-molenaar Hendrik Knoop en kreeg ze de naam “De Verwachting”. In de jaren 1874-1882 is Hendrik Jan Hofstede eigenaar waarna op 4-4-1882 Willem Hoek molenaar-eigenaar wordt. Deze verkoopt de molen met grond en dubbel woonhuis, een wagenschuur met paardenstal aan de Dorpsstraat no. 5 voor de kapitale som van f 7300,- op 16-2-1888 aan molenaar Jan van Eck uit Cothen (van de nog bestaande molen “Oog in’t Zeil”); hij ging malen in loonwerk.

molen 05molen 07

 

 

 

 

In 1890 liet hij naast de molen een stoommaalderij bouwen met twee koppel stenen en een lijnkoekbreker. In 1922 startte zijn zoon Gerrit van Eck met de productie van veevoeders: gemengde granen, enkelvoudige en gemengde melen in de maalderij naast de molen, naast het malen op de wind. In 1929 krijgt ook de molen elektriciteit van de PUEM en gaat malen op een 7 Pk motor; het malen op de wind stopt en de molen valt stil.

Tot 1939 maakte de molen een verwaarloosde indruk. Onderhandelingen met de gemeente Harmelen-Veldhuizen en de Vereniging De Hollandsche Molen over het behoud van de molen waren al in 1930 gestart, maar mochten niet baten. Met een tekort van f 2500 wordt de molen eind 1939 door timmerman Bas Blok met molenmaker Van Vliet te Montfoort tot maalzolderhoogte gesloopt. De roeden worden als balken verwerkt in de schuur naast de molen, de as blijft nog enkele jaren langszij de haven liggen. Het koppel blauwe stenen uit de molen lag voor de ingang van het toenmalige kantoor, de staakijzers uit de dubbele machinale maalderij zijn naar de Vreelandse De Ruiter gegaan. Het lager van de bovenas alsmede enkele andere onderdelen liggen bij de molen te IJsselstein.

De in de tweede wereldoorlog verplicht voorgeschreven samenstellingen van mengvoeders zijn achteraf de aanzet geweest voor de ontwikkeling van de mengvoederindustrie in Nederland.

In 1951 nam Jan van Eck het bedrijf over, waarna een periode van steeds verdergaande mechanisatie aanbrak. De maalderij Van Eck groeide uit tot een kleine mengvoederfabriek met hamermolen, mengers, pers en de oude molenromp als silo. In 1969 werd het huis vervangen.

Tekening gemaakt door Mike Ekelschot

Tekening gemaakt door Mike Ekelschot

De nacht van 7 op 8 november 1983 echter zou noodlottig worden voor dit restant van de molen: ze brand volledig uit. De oorzaak wordt tot op heden gezocht in kortsluiting in de schakelkasten van de naastgelegen maalderij, hoewel de brand op twee plaatsen tegelijk begon. Daar deze direct naast de houten “overdekking” stond tussen molen en maalderij brandde de eerste volledig uit en de tweede liep zware schade op de begane grond op en verloor de totale eerste verdieping. In 1984 werd de nieuwe fabriek gebouwd met als eigenaar Gerrit van Eck.
In 2007 werd de maalderij, bij gebrek aan opvolging, verkocht aan De Heus Voeders (hieronder vallen o.a. ook Brokking’s Veevoederfabrieken en Koudijs). Dit was het einde van vier geslachten Van Eck op deze plaats.Jan van Eck woont tegenwoordig in Woerden (87 jaren oud), Gerrit van Eck in Lemmer.
Bij de sloop van het molenaarshuis in januari 2011 verdween ook elke mogelijkheid tot nader archeologisch onderzoek, want hoewel in de jaren meermalen verbouwd, lag de basis van dit huis, net zoals de molen zelf, ergens in de vroege 17de eeuw.

situatie maart 2011

situatie maart 2011

situatie oktober 2011

situatie oktober 2011

 

 

 

 

 

 

Molenaars op de molen aan de Harmelerwaard te Harmelen

Pachters van de molen:

  1. Jan Peterszoon van Hardenberch; genoemd in 1640
  2. Claes Vredenburch; genoemd in 1675
  3. Maarten Janssen Timmer; genoemd in 1678
  4. Jan van Rijn; genoemd in 1728
  5. Adrianus van Berkesteijn; 1748 tot 1754
  6. Willem en Jacobus van Berkesteijn; 1754 tot 1756
  7. Arien Vermeer; 1756 tot 1762
  8. Leendert de Pater; 1763 tot 1771
  9. Joost Stout; 1771 tot 1805
  10. Egbertus van Schiven; 1805 tot 1844
  11. E. van Schieveen; 1844 tot 1868

Particuliere eigenaren van de molen:

  1. Hendrik Knoop + Hermanus Knoop Hendrikzn.; 15-2-1868 tot 1874
  2. Hendrik Jan van Hofstede; 1874 tot 1882
  3. Willem Hoek; 4-4-1882 tot 16-1-1888
  4. Jan van Eck; 16-1-1888 tot 1920 windmolenaar

Particuliere eigenaren van de maalderij:

  1. Jan van Eck (tot 1920 windmolenaar); kocht in 1918 het oude Windrecht
  2. Gerrit van Eck en molenaarsknecht Jacobus Hoveling
  3. Jan van Eck (geboren 1923)
  4. Gerrit van Eck (geboren 1952)

molen 13

nota

nota

 

eigendomsbewijs

eigendomsbewijs

Samenstelling: Hans van der Spiegel.

Bronnen:

  • materiaal verkregen van Jan van Eck, de laatste molenaar van de korenmolen en
  • materiaal van Mike Ekelschot, voormalig medewerker van Van Eck, nu molenaar in Ursel, België (zie www.toatsemeuln.be).
  • Kadastrale atlas Harmelen in 1832, Wijmer D.J. e.a., 2002, Uitg. SHB-33b
  • Harmelen, kasteel, kerk en kerspel, Bemmel J. van, 1981, Uitg. SHB-17
  • Harmelen op weg van oud naar nieuw, J.G.M. Boon J.G.M., 1970, Uitg. SHB-09
  • www.molendatabase.org.