Het Huis Batestein

In Harmelen stonden nog in de eerste helft van de 19e eeuw drie historische woonsteden: het Huis te Harmelen, de Commanderij der Johannieters en het Huis Batestein (ook wel Kasteel genoemd). Onderstaande afbeelding toont het huis in 1744, gezien vanuit het noordwesten. Het is een tekening van Jan de Beijer.

batenstein1

Het huis bestond rond 1400 uit vijf gebouwen en een toren en was omgeven door grachten. Batestein stond even ten westen van Harmelen op de smalle stroomrug van de Rijn. Nu is daar de straat Batestein; het huis stond aan de zuidzijde daarvan. In het leenregister van 1407 staat: “gelegen beneden ene wech geheten die Ruge zijtwende”. Deze weg is de tegenwoordige Uitweg/Bernardlaan, waarnaar de voorgevel van het huis gericht was. Batestein was een mooie omgrachte buitenplaats. Ten noorden van de buitenplaats was een theekoepel gebouwd, die een fraai uitzicht bood over de Rijn.

De eerst bekende bewoners in 1403 waren Hendrik van Wede Stevensz. en zijn vrouw Wendelmoet. Er zijn vanaf deze datum 40 eigenaars bekend. Onder hen waren de Italiaan Ormea, die vanaf 1573 lombard (bankier) in Den Briel was en mede-eigenaar van de bank in Rotterdam. Zijn vrouw Anna de Milan Visconti stamde af van de hertogen van Milaan. Een andere prominente bewoner was in 1733 prof.mr. Petrus Burman, hoogleraar in de welsprekendheid in Leiden. Na zijn overlijden werd hij in de dorpskerk te Harmelen begraven. Hier is nog het epitaaf voor het echtpaar Burman-Clotterbooke aanwezig. Zijn zoon prof.dr. Franciscus Burman, hoogleraar in de theologie te Utrecht, werd in 1743 eigenaar. Hij verkocht het huis in 1744 aan zijn collega prof.mr. Abraham Wieling, hoogleraar in de rechtsgeleerdheid te Utrecht. Wieling overleed reeds in 1746. Ook hij werd in de Harmelense kerk bijgezet en ook aan hem herinnert een epitaaf. In tegenstelling tot de ambachtsheren wonend in Huize Harmelen, bemoeiden de bewoners van Batestein zich nauwelijks met het reilen en zeilen in het dorp.

In 1807 was de Woerdense baljuw Jan Meulman eigenaar geworden. Bij de koop waren een kerkbank en een grafstede in de hervormde kerk inbegrepen, die vanouds bij het huis Batestein hoorden. Meulman liet het huis wit pleisteren en in neoclassicistische trant opknappen. Hij was de laatste die de buitenplaats in volle glorie bewoonde. Enkele jaren na zijn overlijden in 1847 werd het huis grotendeels gesloopt. De Harmelense burgemeester/notaris Buddingh kocht in 1849 de gespaard gebleven lage vleugel van Batestein. Ook de tuinmanswoning bleef bewoond. Hier werd later de (thans verdwenen) boerderij met de naam Batestein van de familie Moons gebouwd.

Boerderij Batestein

Boerderij Batestein

In 1851 was de koepel afgebroken. In 1911 liet de schoondochter van de Bunnikse landbouwer Hugo Vulto het restant van het eens zo glorieuze Batestein slopen en liet op dezelfde plaats twee arbeiderswoningen onder één kap bouwen. In 1921 werden deze verkocht aan de gemeente Harmelen. Deze liet in de twintiger jaren de arbeiderswoningen slopen en door een nieuwe reeks huizen vervangen.

De huidige straatnaam Batestein herinnert nog aan de plek waar het kasteel ongeveer gestaan heeft. In de noordgevel van het huis Batestein 37 is een gevelsteen van zandsteen met het jaartal 1617 (Bernardijn Ormea, heer van ’s-Gravesloot, was toen eigenaar van Batestein), afkomstig uit de noordgevel van Batestein. Deze steen werd na de gedeeltelijke afbraak van Batestein in 1849, verplaatst naar de gespaard gebleven vleugel en na de afbraak daarvan in 1911, geplaatst in de oostgevel van de toen gebouwde arbeiderswoningen. In 1988 werd de steen geplaatst in de noordgevel van het huis Batestein 37, die ongeveer op de plaats staat van de noordgevel van het verdwenen huis.

Bronnen:

  • Schaik, J.W.C., Het Huis Batestein te Harmelen, Heemtijdinghen 27e jaargang no. 1, maart 1991
  • Kadastrale atlas provincie Utrecht 7, Harmelen in 1832, grondgebruik en eigendom, 2002