Het Vijverbos

In Harmelen ligt het sprookjesachtige Vijverbos. “De parel van Harmelen”, zo werd het in het verleden genoemd. Men zou verwachten dat er veel wandelaars en toeristen komen om het bos te bewonderen. De belangstelling is betrekkelijk. Hoewel, laatst stapten er enkele wandelaars uit de bus, gepakt en gezakt, voor een dag wandelen in de bossen van Harmelen. Ze vroegen of er een wandelkaart beschikbaar was. Toen ik ze vertelde dat dit overbodig was en de wandeling er binnen een uur op zat, waren ze zeer teleurgesteld. De regelmatige bezoekers zijn hondenbezitters en hun viervoeters, deze stellen een wandeling door het bos bijzonder op prijs stellen. Het is moeilijk voor te stellen dat dit gebied eeuwen geleden uitstekend bouwland was en deel uitmaakte van een boerderij, die “De Kersenhof” heette. Na de ontginningen waren de hoeven even groot en werden bewerkt door zelfstandige boeren. Door voor- of tegenspoed, overstromingen en krijgsgeweld veranderde dit. Veel boeren verloren hun zelfstandigheid. In de 16e eeuw werd meer dan de helft van de grond bewerkt door pachtboeren.

Huize Harmelen, 2e helft 19e eeuw tot 1920

Huize Harmelen, 2e helft 19e eeuw tot 1920

De woningen in stad en platteland werden tot in de late middeleeuwen gebouwd van hout. Voor koken en verwarming werd gebruik gemaakt van open vuur. Olielampen en kaarsen zorgden voor een sfeervolle maar brandgevaarlijke verlichting.
Bij brand stond men machteloos met gevolg dat halve steden verloren gingen. Dit ondervond Montfoort in 1629, toen bij een stadsbrand de St. Janskerk in vlammen opging. Om brand tegen te gaan werd de bouw van stenen huizen voorgeschreven en het gebruik van rieten daken verboden. Het bestuur van Woerden gaf op 10 juli 1584 de volgende verordening uit: “Item dat van nu voortaan geen persoon binnen deser stede Woerden hem verordenen en sullen, eenige huysen of huyskes, schueren ofte iets anders, dat hij timmeren en eenige spannagie op coempt, ofte oude huysen die verspand worden te decken met riet of stroy dan sullen gehouden wesen datselve huyse of huyskens schueren ofte iets anders als voorst, is te decken met hardt dack tsy leyen, pannen ofte teegelen, sulck als dies ghelieft” .

Uiteraard werd hiermee de steenindustrie en pannenbakkerijen gestimuleerd. De grondstof voor stenen en dakpannen was klei, dat op de oeverwallen van Rijn en IJssel ruimschoots voor handen was. Rond 1680 kwam in Woerden de dakpannen-, bakstenen- en tichelindustrie tot ontwikkeling. Er ontstonden verschillende steenfabrieken langs de Rijn. Het afgraven van grond was aan strikte regels gebonden. Immers als het land niet werd teruggebracht tot agrarische grond betekende dit minder belasting. Vandaar dat er al in 1409 een voorschrift kwam voor ontgronding. Hierin stond dat de tichelaar de bovenste laag tot één voet moest uitgraven en afleggen. Vervolgens kon hij ca 3 voet klei uitgraven en afvoeren. Daarna werd de grond geëgaliseerd en weer toegedekt met de grond die hij het eerst had weggehaald. Zo bleef er een akker over, die drie voet lager lag dan de percelen ernaast.

In een regeling ten tijde van Karel V van 15 maart 1548 staat: “diegene die eenige landen ontgronden om daaruit steenen te backen, sullen ’t ontgronde landt weder toemaken binnen twee jaren daerna tot weyland oft saylandt op pene van hondert ponden ende noch evenwel gehouden wesen dat lant toe te maken.” Het toezicht op het nakomen van deze bepalingen werd in handen gegeven aan de Staten ‘s-Lands van Utrecht en voor de Hollandse gebieden aan het Groot-waterschap van Woerden. Voor alle klei-afgravingen moest eerst toestemming worden gevraagd aan deze instanties.

De Commanderije van Harmelen verzocht in 1717 om een perceel in Oudeland af te graven. Zij kregen vergunning om de 4 morgen “te ontgraven, om de pan-, steen- en tichelaarde daaruyt te doen haalen”. De steenfabrikanten waren echter al eerder actief; in 1694 verkochten ze een stuk uitgegraven land in de Indijk en enkele jaren later komen we Jan Schriek, tegen, meester panbakker te Woerden, als verkoper van enkele percelen “uitgegraven” land in de Indijk. Na verloop van tijd is bijna heel Oudeland en Indijk afgegraven. Dat de steenfabrikanten en tichelaars heel wat te vertellen hadden, mag blijken uit het feit dat de kleivletters geen sluisgeld hoefden te betalen. Ook kregen zij toestemming om de dijk langs de Rijn te doorgraven, nadat Nicolaas Feck uit Woerden op 26 juni 1693 had gevraagd om tussen de Haanwijkersluis en de vervallen herberg ’t Gansje een doorsnijding te maken in de Rhijndijck en het Santpadt, zodat hij zijn landerijen gelegen onder de Indijk op Oudeland bij Harmelen gemakkelijker kon aftichelen. De prijs van klei was bijna even hoog als een perceel land. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er veel percelen aangeboden werden voor afgraving. Na het aftichelen en toedekken van de grond bleef er immers nog goed weiland over. Tenminste, als alles correct verliep. Daar de ondernemer de hand lichtte met de voorschriften en het toezicht onvoldoende was ontstond er vaak een woestenij van onregelmatig, te diep afgevlet land en moerassig weiland.

De oppervlakte van de polder Oudeland en Indijk is in 1832 432 Ha groot, 133 Ha bestond uit bos en slechts 20 Ha uit water. Dit water was vooral te vinden ten zuiden van de Tiendweg. Aan de andere kant bestonden nog geen vijvers. De enige plas werd aangeduid met “water als weiland”; deze was dus niet diep. Enkele percelen ten noorden van de huidige Villa Vijverbosch, waar vroeger de Kersenhof lag, werden zelfs nog gebruikt als bouwland en waren nog niet afgegraven. De eigenaar was de heer Knijff c.s., steenbakker te Woerden, die bijna al het land tussen de Appellaan en de Breudijk bezat.

vijverbos 02

Een andere grootgrondbezitter in die tijd was de Ambachtsheer van Harmelen, Mr. Adriaan van Beusichem. Zijn bezittingen bestonden voornamelijk uit landbouwgrond en weiland. Het land langs de Tiendweg was van hem en de Lagewaard waar later de boomgaarden van de familie Van Leeuwen te vinden zijn. Ook het land ten Oosten van de Appellaan, de Grote Nes en Wijdenes genaamd was van hem. Gestaag breidde hij zijn grondgebied uit. Vooral percelen die aansloten bij zijn bezit vond hij aantrekkelijk. Op 26 juli 1849 kocht hij een arbeiderswoning, erf, tuin, bouwland en boomgaard “Jagtrust” genaamd. Hierbij hoorde ook enige percelen bos en water tezamen groot 24.56.82 Ha. Hij had het plan opgevat om zijn kasteel te moderniseren en het gebied er om heen te veranderen in een prachtig landgoed in Engelse landschapsstijl. Informatie hierover heb ik niet, we moeten het doen met de kadastrale gegevens.

Omstreeks 1860 werd het koetshuis op de Tiendweg gebouwd en de oude stalling achter zijn kasteel afgebroken. Achter het kasteel ontstond een groot wandelbos dat ook de huidige sportvelden omvatte en in het weiland prijkte de duiventil. Op de Tiendweg verdween de arbeiderswoning en iets verder, opvallend in de bocht, liet hij het nieuwe “Jachtrust” bouwen. Waarschijnlijk werden de waterpartijen in diezelfde periode uitgediept door winning van zand voor de spoorwegen. Later kregen de waterpartijen meer vorm. Het werd een prachtig landgoed met bouwland, weiden en bossen met slingerende paadjes, natuurlijk ogende waterpartijen met bochtige oevers en eilandjes met boomgroepen. Voor zijn personeel kwamen er vier wit-gepleisterde woningen, die nog steeds op de Tiendweg en Appellaan te vinden zijn.

In 1887 werd het bezit van Helena Cornelia Luberta van Beusichem onder haar kinderen verdeeld. Haar bezit aan boerderijen, bos en water was in totaal 419.68.19 Ha, waarvan in Harmelen Ha. 310.74.27. Om een indruk te geven van de kleiafgravingen in 1887: van de 432 Ha van het gerecht Oudeland en Indijk was ¾ bos en water. Veel van deze percelen werden weer omgezet in cultuurland door egalisatie en ophoging net vullis, huisvuil uit de stad. De percelen tussen de Appellaan en de Breudijk werden niet gekapt en dienden als jachtterrein voor de Heer van Harmelen. Hoewel het vijverbos nog niet bestond, was het bos en omgeving prachtig. In het veilingboekje bij de verkoop in 1913 van de goederen van de laatste ambachtsheer J.C. de Joncheere staat het volgende. Het kasteel Harmelen met moestuin, stalling tuinmans- en koetsierswoning, prachtige lanen en bosschen met hoogopgaand hout, vischrijke vijvers, wildrijk jachtveld en rentegevende griendbosschen. Twee kapitale hofsteden met uitmuntende boomgaarden en welige wei-, hooi- en bouwlanden, bezet met beste steenaarde.

Het Vijverbos werd gekocht door jonkheer Boreel de Mauregnault te Alfen. Hij liet op een schiereilandje 1922 een woning bouwen en noemde deze “Huize Vijverbosch”. De percelen Kersenhof 3 t/m 8 langs de Appellaan werden door anderen gekocht. Hier kwamen de tuinderijen van de families Koppers, Vianen, Oskam en Van Rooijen. De woning van J. Oskam aan de Appellaan kreeg de naam “Kersenhof”.

Jhr de Boreel is dus eigenlijk de naamgever van het Vijverbos. Voor het onderhoud had hij de heren J.H. Groeneveld en Slokkers in dienst. Regelmatig werden stukken van het bos gekapt. In 1940 werd er een rooivergunning verstrekt voor 30 wilgen en 24 populieren, informatie bij “Huize Vijverbosch”. De opbrengst van griend, bonenstaken en brandhout was echter gering. Jhr. Boreel verkocht in 1941 het landgoed aan H.P. Heineken uit Amsterdam, directeur van de bekende brouwerij.

vijverbos 03

Het landgoed was niet toegankelijk. Bij bepaalde gelegenheden kreeg men wel toestemming om het bos of vijvers te gebruiken. Zo werd er in 1945 op de vijvers een openluchtspel uitgevoerd van licht, kleur en klank. Initiator was de heer J.L.A. Soels, raadslid en bekend als voorzitter van S.C.H. Dit culturele evenement haalde de landelijke pers. Het U.S.O. trad op o.l.v. Willem van Otterloo en op het programma stond o.a. de Ouverture tot de opera Óberon`van C.M. van Weber en “Eine kleine Nachtmusik` van W.A. Mozart. Een balletgroep uit Amsterdam o.l.v. Yvonne Georgi voerde dansen uit op een groot vlot in de vijver. In de berm van de Tiendweg waren de tribunes gebouwd. Het spektakel was een enorm succes.

In de winter werd er gebruik gemaakt van de vijvers om te schaatsen. De IJsclub “Een Volksbelang” zette een baan uit en zorgde voor muziek en verlichting. In januari 1954 bijv. werden er wedstrijden gehouden. De uitslag van de koppelwedstrijd voor paren: 1. H. Bakkenes en mej. T. Osnabrugge. 2. I. Derks en mej. T. Davelaar. 3. Th. Geurtsen en Mej. Lieshout. 4. C. van Dijk en Mevr. Baas-Veldhuijzen. De uitslag van de hardrijwedstrijd voor jongens: 1. J.A. de Langen. 2. Th. De Goeij 3. A.W. de Langen.
Begin 1948 hoorde burgemeester H.A.J.M. van Koningsbruggen dat de heer Heineken het landgoed wilde verkopen. Het gemeentebestuur was bang dat de nieuwe koper het bos en hakhout wilde omzetten tot cultuurland, waardoor een pracht stukje natuur verloren dreigde te gaan. Om behoud te waarborgen kocht de Gemeente Harmelen het landgoed voor f. 45.000,–.

Na het overlijden op 31 jan.1950 van Jhr Boreel, werden er verschillende exploitatiemogelijkheden overwogen. Er was er echter niet een met een sluitende begroting. Daarom nam het gemeentebestuur contact op met het Utrechts Landschap met het verzoek de tekorten op zich te nemen. Voor de financiering had de gemeente een lening afgesloten van f. 46.000,–. In 1951 volgde de overdracht van het landgoed aan de stichting “Het Utrechts Landschap”. Tevens werd er een bedrag van f. 800,– beschikbaar gesteld voor de verbreding van een sloot aan de zuidzijde van het landgoed i.v.m. de demping van de doorvaart onder de voormalige brug aan de Tiendweg. Het werd een beschermd natuurgebied. Bij de verkoop had de gemeente het recht behouden voor het maken van een zwemgelegenheid in het Vijverbos. Dit gaf later de nodige discussie.

Natuurlijk zwommen wij vroeger in het zandgat van Koppers, waar het gebrek aan kleedhokjes geen probleem was. Een groot voorstander van zwemmen in het Vijverbos was de heer J.L.A. Soels., voorzitter en medeoprichter van S.C.H. In 1965 kwam het tot een climax. Enkele jaren daarvoor was dankzij zijn activiteiten een stuk land uitgegraven ten zuiden van de Tiendweg. Dit “kleuterbad” was aan de ene kant 50 cm. Tot een meter aan de andere zijde. Een ideale plek om zwemmen te leren. De uitgegraven grond werd aan de andere zijde van de Tiendweg gebruikt om een mooi glooiend terrein naar de vijver te maken, waar eventueel de tribunes konden staan als openluchttheater. Jaren achtereen werd er door de jeugd daar gezwommen en de geoefende zwemmer kon zo de plas opgaan. Na al die jaren werden er in de Raad vragen gesteld over de chaotische toestanden en het gebrek aan kleedhokjes. Burgemeester Timmermans was geen voorstander. Hij deelde de raad mee dat er in de overeenkomst met Het Utrechts Landschap weliswaar het recht op een zwemplaats stond maar niet van een zonneweide. Bovendien was het zwembad in Vleuten gereed, waarvan veel jongeren uit Harmelen gebruik van maakte en volgens de regionale afspraken kreeg Harmelen een instructiebad. Kortom, de ruimte om te zonnen werd met hekken en stevig prikkeldraad verkleind, zodat het zwemmen niet meer aantrekkelijk was. Het peuterzwembad is nog steeds terug te vinden. Het is nu volledig dichtgegroeid met riet.

Leden van De Ronde tafel voerden in 1990 actie om het Vijverbos op te knappen. In 1992 werden deze plannen uitgevoerd. De vijvers werden uitgebaggerd en de paden bijgewerkt. De uitgang bij de Appellaan werd afgesloten met een hek. Ook de ingang naast Jachtrust verdween. Om toch een rondje te kunnen lopen werd de picknickplaats, het glooiend grasveld naar de vijver, opgeofferd en moest er een brugje komen. Zo is dit gebied in de loop van de jaren veranderd. Van boerenland, naar wildernis tot Landgoed Vijverbos.

Voor hen die het willen zien is het Vijverbos nog steeds een lust voor het oog, de parel van Harmelen”

vijverbos 04

Samenstelling: Ad van Rooijen
Bronnen: RHC Rijnstreek en Lopikerwaard