Verzet in Harmelen 1940-1945

TROEPENVERPLAATSINGEN
Na de capitulatie van het Nederlandse leger op 14 mei 1940 volgde de terugtrekking vanaf de Grebbelinie onder meer via Harmelen naar de legerdepots in de Randstad. Lange colonnes legervoertuigen, soldaten en paarden passeerden ons huis. De dag erop volgde de intocht van het Duitse bezettingsleger. Met opzet werd hiertoe de in 1938 geopende snelweg naar de Randstad niet gebruikt. Er werd gekozen voor de route door de dorpen om de moderne Duitse legermacht te kunnen demonstreren. Als zesjarige jongen vond ik het wel mooi en spannend om langs die militaire colonnes te lopen.

Martin G.J. Mulder 19 november 1902 - 11 juli 1991

Martin G.J. Mulder
19 november 1902 – 11 juli 1991

ROTTERDAM
Het was al een paar weken na het bombardement van Rotterdam en het vrije verkeer kwam al weer op gang. De juiste datum kan ik niet meer achterhalen. De plaatselijke fietsenmaker Oskam had in zijn winkel een tandem staan en aangezien mijn vader nog wel eens bij Oskam kwam voor zijn draaibank die hij voor z’n werk nodig had, vond deze het goed dat mijn ouders die tandem leenden om naar Rotter­dam te fietsen om de aangerichte ravage met eigen ogen te zien. De afstand Harmelen – Rotterdam bedraagt ca. 45 km. dus dat ritje was uit en thuis op één dag te doen. Mijn ouders kwamen diep onder de indruk van de verwoestingen terug. Mijn vader had z’n buik vol van wat hij die dag aan ellende, aangericht door de bezetter, had gezien.

ONDERDUIKEN
Vanaf het voorjaar van 1942 liepen grote groepen van onze bevolking gevaar om door of in opdracht van de bezetter opgepakt te worden om in kampen of gevangenissen te verdwijnen. De Duitse bezetter had het vooral gemunt op Joden, verzetsmensen, jongeren voor de nazi-arbeidsdienst en mannen voor gedwongen tewerkstelling in Duitsland en zelfs Duitsers. Op een later tijdstip kwamen daar nog grote groepen oud-militairen, spoorwegmensen en studenten bij. In die tijd begon mijn vader goede en betrouwbare klanten, waarmee hij al jaren goede contacten onderhield te polsen of zij iemand in huis wilden nemen, te laten onderduiken dus, om op die manier een bijdrage te leveren ‘aan de goede zaak.’

Mijn vader gaf zo’n klant natuurlijk de nodige bedenktijd en wachtte verdere reacties dan af. Zo’n reactie kwam er meestal in een persoonlijk contact en gesprek, maar het kon ook gebeuren, dat vader na afloop van de zondagse misviering (meestal gecelebreerd door pastoor H.W.A. van der Waarden of kapelaan M. Koggel) op z’n schouder werd getikt en hij de korte mededeling kreeg: “Mulder, breng hem maar”. Vader gebruikte voor deze activiteiten nooit de telefoon, want de centrale, waarop Harmelen was aangesloten, werkte nog met handbediening en je wist maar nooit of zich een betrouwbare centraliste (zoals mevrouw Coba Stelling) aan de andere kant van de lijn bevond. De wel betrouwbare had een zwakke gezondheid zodat je nooit zeker wist of zij aanwezig was. Hoorde vader dan niets meer, dan bezocht hij zo’n klant, als hij in de buurt was, nog een keer en als dat geen resultaat opleverde dan was ’t voor vader van de baan. Om dit gevaarlijke werk, het plaatsen van onderduikers, goed en veilig te kunnen doen, had mijn vader een paar belangrijke voordelen: hij opereerde in z’n eentje, verder lag ons huis in Harmelen wat eenzaam en zijn werk droeg ertoe bij. Op de ligging van ons huis en mijn vaders werk kom ik later nog terug. Hoeveel onderduikers mijn vader heeft geplaatst is onduidelijk gebleven; er werd vanzelfsprekend op geen enkele wijze administratie van bijgehouden. Dat was veel te gevaarlijk. Wat me wel is bijgebleven uit zijn verhalen van na de oorlog is, dat mijn vader vanaf het voorjaar van 1942 zo’n twee en een half jaar lang gemiddeld twee onderduikers per week ergens kon onder­brengen. Dat waren dan toch een ruime 250 man.

In het najaar van 1944 moest hij dat werk noodge­dwongen grotendeels staken omdat hij een drietal bedreigingen kreeg in verband met zijn jarenlange verzetswerk, maar desondanks kon hij tot 10 maart 1945 toch nog enkelen aan on­derdak helpen. Op die dag deden de Duitsers, na verraad, een inval in het huis van Martin Mulder, die gevan­gen werd gezet in de Weteringschans­gevangenis in Amsterdam. De in zijn huis verborgen wapens werden gelukkig niet gevonden; ze lagen verstopt achter de badkuip. Het is een wonder dat vader Mulder zijn gevangenschap heeft overleefd! Hij werd onderv­raagd en gemarteld door o.a. Willy Lages, later de ‘vierde van Breda’. Met 34 andere verzetsmensen werd hij ter dood veroordeeld, maar Lages voerde Mulder en twee andere Harmelense verzetsmensen (Van Rossum en Konijnenberg) van die lijst af, omdat hij meer informatie los wilde krijgen. De 32 andere verzetsmensen werden helaas nog wel terechtgesteld. Het was een paar dagen voor het einde van de oorlog en de Duitsers zwichtten voor het dreigement van het Amsterdamse verzet, bij monde van verzetsleider Van de Tak, dat er grote problemen zou­den ontstaan als er nog één executie plaats zou vinden. Lages, die de geallieerden al vlak in de buurt wist, gaf toe en Mulder, die toen nog maar 46 kilo woog(!) en zijn twee kompanen keerden direct na de bevrijding, door het oog van de naald gekropen, terug naar Harmelen. Later is hem o.a. het verzetsherdenkingskruis uitgereikt.

DE LIGGING VAN ONS HUIS
De winkel van mijn vader lag zo’n tweehonderd meter voor het begin van de bebouwde kom van Harmelen (aan de Meernse kant) aan de oude Rijksstraatweg Utrecht-Leiden. Deze weg was voor de aanleg van Rijksweg A-12 in 1938 een van de belangrijke uitvals- en toegangswegen van de stad Utrecht van en naar de Randstad. Aan de andere kant van de weg liep (en loopt) de Oude Rijn. Zowel aan de overkant van de Oude Rijn als achter ons huis was open land zonder bebouwing. (De Molenbrug was er nog niet, die dateert pas van 1961). De linker- en rechterburen zagen in de oorlog natuurlijk wel eens wat, maar hielden over wat ze zagen wijselijk hun mond! Voor het huis lag de bushalte van de lijndienst ‘Rapiditas’ Utrecht-Woerden. Later zou deze busonderneming de naam wijzigen in ‘Rijnstreek’.

VADERS WERK
Met de komst van elektriciteit in Harmelen in 1921 was mijn vader handig ingesprongen op deze nieuwe ontwikkeling door in 1922 een eigen elektriciteitszaak te beginnen. Hij deed dat in compagnonschap met Henk Iterson, (ook) een bakkerszoon uit Montfoort, omdat de hoeveelheid werk die op hem afkwam niet in z’n eentje was rond te krijgen. Vader volgde in die tijd ook een cursus voor elektromonteur, die hij in oktober 1924 afrondde. In de huizen en boerderijen in Harmelen en in de Lopikerwaard waren die twee jonge ondernemers toen vaak te vinden. Ook de aanleg van de elektrische installatie van de Nederlands Hervormde Kerk in Harmelen werd hun gegund, wat echter leidde tot aanzienlijke dorpsroddel. Want in die tijd was het eigenlijk ondenkbaar dat de katholieke Mulder een protestantse kompaan had in de persoon van Henk Iterson en dat die combinatie dan ook nog werkte voor de Nederlands Hervormde Kerk! Door deze ‘vergissing’ van die twee jonge ondernemers werd de naam van Mulder tijdelijk geschrapt uit de lijst van te gunnen ondernemingen. Andersdenkende klanten dreigden hierdoor weg te lopen en er zat in die tijd dan ook niets anders op dan het compagnonschap in 1929 te ontbinden en dus ging ieder zijns weegs. Vader M.G.J. Mulder zette de zaak alleen voort onder de bedrijfsnaam: Elektrotechnisch Bureau M.G.J. Mulder. Hij hield wel meer dan voldoende werk in die moeilijke jaren dertig, maar kreeg steeds meer moeite om zijn verdiende centen te incasseren.

OVERLEG MET EEN VERZETS-CONTACTADRES
Vanaf het voorjaar van 1942 was mijn vader vaak in Utrecht te vinden, waar hij overleg voerde met zijn verzetscontactpersoon. Die woonde aan de Catharijnesingel. De afstand Harmelen-Utrecht legde hij altijd af met de fiets. In Utrecht stalde vader zijn fiets dan bij familie aan de Mariahoek om te voorkomen dat deze gestolen zou worden. Via de Mariaplaats liep hij vervolgens naar het P.U.E.M.-gebouw waar hij moest zijn voor zijn werk en als hij daar klaar was ging hij naar zijn verzetscontactpersoon aan de Catharijnesingel. Nog even over de Mariaplaats: mijn vader ergerde zich elke keer als hij daar langs liep aan een groot spandoek dat de Duitsers daar in 1941 hadden opgehangen waarop tot in de zomer van 1942 in grote letters de naziboodschap stond vermeld van de Duitse overwinningen in Europa.

De Mariaplaats te Utrecht met het bewuste spandoek

De Mariaplaats te Utrecht met het bewuste spandoek

DE AANKOMST VAN EEN ONDERDUIKER
Door de verzetscontactpersoon in Utrecht werd aan een toekomstige onderduiker geadviseerd de lijnbus naar Harmelen te nemen met alleen een klein beetje handbagage. De aankomst in Harmelen verliep dan vaak als volgt: nadat de onderduiker bij de bushalte ‘Mulder’ was uitgestapt, moest hij zich melden in de winkel van mijn vader. Die sluisde de onderduiker meteen door naar de huiskamer achter de winkel. Daar kreeg hij dan de informatie toegespeeld over zijn onderduikadres en de route naar dat adres toe. Na het gebruik van de avondmaaltijd gingen mijn vader en de onderduiker in de schemer op pad. In de lente en de zomer was dat erg laat, in de herfst en winter natuurlijk veel vroeger. Mijn vader fietste voorop, op enige afstand gevolgd door de onderduiker. Vader gebruikte een zaklantaarn om bij onraad naar de hem volgende onderduiker te seinen, zodat die kon maken dat ‘ie wegkwam.

J. Buitenhuis, huisarts

J. Buitenhuis, huisarts

In de loop van 1943 kreeg hij van de gemeente Harmelen een Ausweis / Genehmigung / Passierschein om ’s avonds na het ingaan van de avondklok zich toch nog op straat te mogen bevinden om storingen aan het elektriciteitsnet te verhelpen. Om die reden had hij vaak een bos draad of snoer aan z’n fietsstuur hangen. Dat zag er in ieder geval betrouwbaar uit! Als de onderduiker op zijn schuiladres was afgeleverd, fietste mijn vader op de terugweg nog even langs dokter Buitenhuis (geboren 1884, huisarts in Harmelen van juli 1913 t/m juli 1952), om de plaatsing van een nieuwe onderduiker te melden voor het geval deze medische hulp nodig mocht hebben. Een koffer met kleren en benodigdheden kwam in het algemeen pas later bij de onderduiker terecht en werd dan gebracht door bijv. een vrouwelijk familielid of door de betrouwbare bodedienst uit Harmelen, De Rijk, die in het algemeen minder risico liepen. Toen mijn vader, later, na de be­vrijding, op zondag 6 mei 1945 uit de Weteringschans gevangenis in Amsterdam werd vrijgelaten kreeg hij van genoemde huisarts Buitenhuis een uitstekende medische begeleiding!

ONDERDUIKPLAATSEN
Aangezien vader zijn klanten al vele jaren kende, benaderde hij natuurlijk die adressen waarvan hij al wist hoe de bewoners tegen de Duitse bezetting aankeken. Meestal was bij zulke mensen succes van plaatsing van een onderduiker verzekerd. Het gebied waar mensen werden ondergebracht was gelegen in de gehele gemeente Harmelen. Door de geïsoleerde ligging plaatste hij ze graag in de boerenbuurten als Reijerscop en, bij voorkeur, Gerverscop. Beide buurten hadden nog grindwegen met links en rechts een fietsspoor en in het midden een spoor voor paarden, ’s winters werd er niet gestrooid, als dat op een grindweg al effect zou hebben. En in de oorlogsjaren gebeurde dat al helemaal niet. In de winter van 1944-1945 kon er in Reijerscop helemaal niet meer worden ‘geplaatst’, om­dat een groot gedeelte van deze doorgaande weg naar de Meerndijk, dat wil zeggen de pol­der Bijleveld, onder water was gezet. Deze onderwaterzetting, inundatie, moest worden gecontroleerd door een voormalige Duitser, Eberhardt geheten, die de Nederlandse zaak van het verzet echter een goed hart toe­roeg, want hij traineerde de inundatie behoorlijk lange tijd door de sluizen slechts een heel klein stukje open te zetten, zodat er aanvankelijk maar een paar centimeter water in de weilanden stond. Toen de bezetter na enige tijd kwam controleren waarom er toch zo weinig water in de polders stond, werd Eberhardt alsnog gedwongen de sluizen helemaal open te zetten! De bezetter was namelijk bang voor geallieerde luchtlandingen in het poldergebied zoals die in Normandië en bij Arnhem hadden plaatsgevonden. Het verkeer tussen het nog droge gedeelte van Reijerscop met het dorp Harmelen en het stadje Montfoort werd onderhouden met een bootverbinding via de geïnundeerde, onder water gezette, Kerkweg. Een fruitkweker had een bootje ter beschikking gesteld. De pontbaas was een heer Klarenbeek die door een luchtaanval in de herfst van 1944 jammerlijk zou omkomen, omdat de Engelse piloten het bootje aanzagen voor een Duits militair vaartuig. De bewoners van de geïnundeerde gebieden moesten overigens wel geëvacueerd worden.

BEDREIGINGEN
In september 1944 hielp mijn vader een klant in z’n winkel, dat was dus niets bijzonders. Toen hij de klant uitliet zag hij aan de overkant van de Oude Rijn een visser bezig, die naar hem zat te kijken. Ik was destijds tien jaar en in de huiskamer bezig met speelgoed, want mijn school, de Gregoriusschool in Utrecht was onder meer door brandstofgebrek al gesloten. Onze huiskamer had een zijraam dat uitzicht gaf op de Oude Rijn en dus op die visser. Mijn ouders kwamen bij mij staan om naar die visser te kijken, dus om te controleren wat die visser nou precies zat te doen. We wachtten gedrieën net zolang tot er een volgende klant naar onze winkeldeur liep. En jawel, het hoofd van de visser wendde zich direct weer opzij in de richting van onze winkeldeur! Voor mijn vader was het toen, het was oorlogstijd, duidelijk dat die man daar niet zat om te vissen maar om te kijken wie er bij ons in- en uitliep. Va­der hielp eerst z’n klant af en liep toen rustig naar de visser toe, stelde zich voor en informeerde naar het verloop van de vispartij. De visser stelde zich ook voor, maar bediende zich, zoals achteraf bleek, van één van de talloze in omloop zijnde valse namen. Vader vroeg of de vissen goed beten, maar kreeg daarop een nietszeggend antwoord waarop hij terugliep naar de winkel. Na de oorlog kwam de ware identiteit van deze visser boven water: het bleek de beruchte collaborateur Anthonius van der Waals te zijn geweest, over wie in 1978 een boek werd geschreven door Frank Visser waarin V.d.Waals’ wandaden zijn beschreven! Na de ‘kennismaking’ met mijn vader pakte de ‘visser’ z’n spulletjes bij elkaar en verdween op de fiets. Die visser hebben we nooit meer teruggezien.

EEN OPSTANDIGE ONDERDUIKER
Eind april 1944 plaatste mijn vader een onderduiker met een Joodse achtergrond in het centrum van het dorp. Echter… in de septembermaand van 1944 werd deze onderduiker opstan­dig, wellicht denkende dat de bevrijding na Dolle Dinsdag’ (5 september 1944) aanstaande was. Duitse troepenversterkingen voor de slag om Arnhem passeerden het vensterraam van zijn kamer, waar hij zich breed voor had geposteerd om dat alles goed te kunnen zien. De huiseigenaar waar deze man onderdak had gekregen was hier laaiend over en sprak de onder­duiker daar dan ook op aan, wat niet zo’n plezierig gesprek werd. Mijn vader werd vervolgens gevraagd ook nog eens met deze onderduiker te praten. Dat gesprek eindigde met de door de onderduiker toegesnauwde mededeling: “Als ik eraan ga, dan gaat u er ook aan!” Nadat mijn vader dit had toegevoegd gekregen, wendde hij zich tot z’n (niet bij name genoemde) adviseur/verzetsman, een van de contactpersonen. Een van die (eerdere)verzetscontactpersonen, Jozef Ascherl, is ook diverse keren bij ons thuis geweest en is in Duitsland in een van de concentratiekampen (Neuengamme, juli 1944) omgekomen.

De in september 1944 aangewezen adviseur vroeg aan mijn vader: “Heeft die bewoner een tuin?” en: “Mulder, jij hebt een blaffer…!” Wel, zover kwam het gelukkig niet. Omdat na 17 september 1944 grote groepen mensen uit de omgeving van de Zuid-Veluwe en uit Arnhem moesten evacueren door de enorme verwoestingen in die streek door de (verloren) slag om Arnhem (‘Operatie Market Garden’) kon mijn vader via zijn contactpersoon en de evacuatiecoördinator (Louis Keunen) deze opstandige onderduiker elders doen onderbrengen.

De brief aan de NSB-burgemeester

De brief aan de NSB-burgemeester

Op een regenachtige zondagavond in november 1944 zaten wij met onze eigen onderduiker, Jan van Rossum, te eten. Er werd tijdens deze maaltijd aan de deur gebeld en mijn vader ging kijken wie er aan de deur was. Op de stoep stond de N.S.B.-burgemeester van Harmelen, Walraven, met een anonieme brief waarin onderduikers werden genoemd en mijn vader als vooraanstaande persoonlijkheid in de ondergrondse beweging. Walraven heeft de beschreven personen niet verraden! Zoals ik het heb begrepen moet die burgemeester het volgende gezegd hebben: “Mulder, er zat een brief in m’n brievenbus en het leek me beter die hierheen te brengen!” en weg was hij weer. Vader las die brief in de huiskamer hardop voor en schrok er zichtbaar erg van. Wij hoorden er echter verder nooit meer iets over!

DE ONDERDUIKROUTE NAAR GERVERSCOP
Vader kon bij zijn talrijke klanten in de buurtschap Gerverscop veel onderduikers plaatsen. Het lag afgelegen en, nog belangrijker, je kon het via achteraf weggetjes bereiken!

Het wegbrengen van onderduikers naar hun schuiladres in Gerverscop ging zo mogelijk via een route met weinig bebouwing. Voor Reijerscop en elders moest vader wel door het dorp. Voor deze acties kreeg mijn vader veel medewerking van de plaatselijke molenaar Gert van Eck. Dat ging als volgt in z’n werk.

Van Eck werd tevoren ingelicht en dan bracht deze zijn vlot (dat bij de molen van Van Eck lag), naar de overkant, de zijde van de Rijksstraatweg, zodat het overzetten van een onderduiker op een gemakkelijke manier kon gebeuren. De molenaar had vanuit zijn woonkeuken een goed uitzicht op huize Mulder, zodat hij direct in actie kon komen als hij mijn vader met de onderduiker zag aankomen.

De molen van Van Eck in Harmelen helemaal links huize Mulder

De molen van Van Eck in Harmelen. Helemaal links huize Mulder

Molenaar Van Eck vroeg nooit wie hij naar de overkant bracht, maar hij wist natuurlijk beter! Zijn bootje was net te klein om drie perso­en en twee fietsen naar de overkant te brengen, dus hij moest vier keer de Oude Rijn over varen en ondertussen alert zijn op verdachte bewegingen op de Rijksstraatweg. Aan de overkant begon dan de fietstocht langs de boerderij van Klaas van Schaik, door het Harmelense bos en langs kasteel Huis Harmelen. Over het bruggetje van de Bijleveld ging het dan rechtsaf naar de Appellaan en net voor Kwekerij Van Duren was er een ijzeren klaphek dat toegang gaf tot een slingerend kleifietspad van ca. 200 meter lang, dat in het regenseizoen vaak meer weg had van een modderpoel. Die situatie is nu niet meer te herkennen, want na de ruilverkaveling die plaatsvond in de jaren zestig is de grondverdeling hier drastisch veranderd. Maar terug naar de jaren veertig. Aan het einde van dat fietspad was er een houten klaphek, waarna je langs een klein talud de Spijcklaan bereikte. Vader ging dan aan het eind van de Spijcklaan bij de T-kruising rechtsaf de Breudijk op en was dan snel bij de, destijds, onbewaakte overweg aldaar.

Na de spoorwegstaking van 17 september 1944 reden op die lijn nog slechts Duitse militaire treinen en langs de spoorlijn werd door soldaten patrouille gelopen. De Duitse bezetter was beducht voor aanslagen op het spoor zoals dat was op Dolle Dinsdag, toen een trein met vluchtende N.S.B.-ers op die lijn uit de rails was gelopen. Mijn vader had aan die sabotageactie dapper meegeholpen!

Na deze onbewaakte overweg gingen ze verder de Breudijk op tot aan het Kortjaksepad, waar het linksaf ging een heel smal grindpad op. Na een klim over de spoorlijn Woerden-Breukelen, met het gevaar hier alsnog ontdekt te worden, was Gerverscop bereikt. Deze laatste spoorlijn werd overigens in de winter van 1944-1945 onbruikbaar omdat de houten bielzen veel aftrek hadden om de kachels brandende te houden. Pas in de jaren vijftig werd het treinverkeer op deze spoorlijn hervat. Via de hiervoor beschreven route bracht vader dus allerlei onderduikers weg.

Bewerking van een artikel dat in het blad HISTORISCHE VERENIGING VLEUTEN-DE MEERN-HAARZUILENS van maart 2010 heeft gestaan, geschreven door Wim J.G.M. Mulder en Jan Schutte. Met dank voor het beschikbaar stellen van tekst en foto’s.