De Kwakel

kwakel1
Een kwakel of quakelbrugge is volgens het Middelnederlands handwoordenboek een smal en hoog trapbruggetje. Een simpel bruggetje voor voetgangers, dat de mensen in staat stelde om van hun huis of boerderij op de doorgaande weg te komen. Vaak niet meer dan een brede plank, die wanneer er een schip moest passeren gemakkelijk te verwijderen was. Dergelijke bruggen kwamen in het verleden veel voor, omdat in die tijd het vervoer over water belangrijker was dan het vervoer over de weg.

Er waren ook maar weinig wegen, vaak erg slecht onderhouden en daardoor in de winter onbegaanbaar. Zelfs na de aanleg van de Rijksweg was het bij open water verboden de weg te gebruiken voor karren met vracht, knollen en bieten. Die transporten moesten zo veel mogelijk over het water, om beschadiging van de weg te voorkomen.

Een kwakel werd vroeger ook “hoge boom” genoemd. Aanvankelijk was deze benaming begrijpelijk: om de juiste hoogte te bereiken werd de oever flink opgehoogd of er werden palen in het water gezet met een dwarsbalk. Hierover kon men een boom of brede plank leggen en de brug was gereed. De plank kon men bereiken via enkele treden of een trapje, zodat men hoog boven het water de overkant kon bereiken. Deze hoogte had men nodig om de scheepvaart zo min mogelijk te hinderen.

Vroeger was het aantal brugjes zo groot dat het Groot Waterschap van Woerden hier paal en perk aan stelde. Bij een algemene keur van 16 oktober 1562 was hun goedkeuring vereist voor bruggen over de boezemwateren.

In Harmelen is de kwakel een hoge betonnen brug over de Leidsche Rijn, die de Uitweg met de Dorpsstraat verbindt. Het is geen schoonheid, maar voor de oudere Harmelense bevolking is het een begrip. Een plek waar velen een herinnering aan hebben. In vroeger jaren was het een ontmoetingsplaats en hangplek voor de jeugd. Er werd gevist, gespeeld en de tijd gedood met kringetjes spugen in de Rijn. Op de brug was er grote lol als er een vaartuig naderde. De schippers keken al woest om de jeugd te weerhouden kattenkwaad uit te halen. De knechten trokken bij voorbaat hun pet stevig op hun hoofd of zochten dekking in de kajuit. Maar er was ook bewondering voor de schepen van Voorhout, Van Galen, Van Assem en Peters, die naar nooit geziene steden gingen.

Ook het baggerschip waarmee de Fa. Ekelschot de Rijn en de Bijleveld uitbaggerde kreeg veel aandacht en de schuiten van boeren en tuinders zorgden voor een bedrijvigheid die thans al weer lang tot het verleden behoort. Zelfs de opkomende pleziervaart werd abrupt een halt toegeroepen, toen de Snellenbrug in Woerden werd vernieuwd. Dit werd een vaste brug waarvan de doorvaarthoogte te laag was, waardoor de jachten niet meer naar Harmelen konden.

De kwakel was een begrip en het geklepper van kinderklompjes hoorde daarbij. Op de Uitweg stond de Prinses Christina School, waar het enige gymlokaal van Harmelen te vinden was. Elke dag  waren er kinderen te zien op weg van de Bavoschool of de School met de Bijbel naar het gymlokaal aan de Uitweg. Aanvankelijk met veel gekletter van klompjes tegen de treden en het zingen van vaderlandse liedjes, later ongeregelder met geschetter van vele kinderstemmen.

Natuurlijk is de brug onhandig. Hij is vrij stijl en met kinderwagens moeilijk te overbruggen. In de loop der jaren zijn er heel wat ongelukjes gebeurd, zoals botbreuken en talloze geschaafde enkels, tengevolge van valpartijen. Geen wonder dat de gemeente in 1984 een lage voetbrug  liet aanleggen, toen er nabij de Roggemiksteeg meer ruimte kwam. Nadat er een paar huisjes en schuren afgebroken werden, ontstond het Pompersplein, zodat de bevolking uit de nieuwbouwwijk gemakkelijk naar de winkels in de Dorpsstraat kon komen.

Dit neemt niet weg, dat het ontstaan van de kwakel in 1925 op precies dezelfde grond is gebaseerd als het bouwen van een brug in 1984. Immers, ook toen was er een  lastige verbinding over de Rijn via de deuren van de sluis in Haanwijk. Deze overgang werd terecht als gevaarlijk beschouwd en was niet altijd beschikbaar. De Rijn werd nog intensief gebruikt door de plaatselijke schippers, en afwatering via de Rijn hield in dat de sluis vaak openstond, waardoor de mensen gedwongen werden via de Kalverstraat naar de Dorpsstraat te gaan. Ook het financieel gewin van de gemeente was geen onbelangrijk argument. De gemeente was eigenares geworden van het terrein van het voormalig kasteel Batestein. Door het terrein te verbinden met de bebouwde kom, zou dit perceel aantrekkelijk worden als bouwterrein en zeker in waarde stijgen.

kwakel4

Het bestuur van de gemeente stemde met dit plan in. Volgens de notulen van de gemeenteraad van 20 juli 1922 werden er drie ontwerpen voor de voetbrug ingediend. Van Van der Hoff’s Machinefabriek te Utrecht was er een ontwerp binnengekomen voor een brug van ijzer; van de erven H.Trip uit Utrecht kwam  een ontwerp voor een brug van beton en de gemeenteopzichter had een houten constructie bedacht. Dit laatste ontwerp was het duurste, zowel in aanleg als in onderhoud, daar hierbij 4 remmingspalen nodig waren om te voorkomen dat de brug door de schepen getorpedeerd zou worden. De brug van ijzer werd begroot op ƒ 950.  De brug van beton was wel ƒ 250 duurder, maar daar beton geen onderhoud behoefde gaf het gemeentebestuur hieraan de voorkeur. De raad was tevens van mening dat het loopvlak van de brug verbreed moest worden van 0,90 tot 1,20 meter met in het midden een gladde goot, zodat personen met rijwielen of kruiwagens de brug gemakkelijk konden passeren.

Als plaats van de brug ging men aanvankelijk uit van de noordwestelijke hoek van het terrein “Batestein”. Men koos de huidige plek, die plaatselijk bekend stond als het Dijkgat, omdat daar een gemakkelijker glooiend toegangspad gemaakt kon worden. Het dijkgat was een open ruimte in de bebouwing van 3,40 meter breed, die de Rijksstraatweg met het Jaagpad verbond. Op zich opmerkelijk, daar de stegen over het algemeen smal waren; alleen bij Café Stelling was ook een brede steeg, waarschijnlijk omdat hier vroeger een los- en laadplaats was voor de beurtvaart.

Na deze vlotte besluiten ging er op 2 augustus 1922 een brief naar de provincie Utrecht. Kennelijk is deze brief per trekschuit verzonden, want pas op 10 april 1923 komt er antwoord. De provincie wil het plan goedkeuren als de brug 9, 65 meter lang is en de onderkant van het horizontale gedeelte 1,99 meter boven A.P. Bovendien moest het jaagpad onder de brug doorlopen zodat trekschuiten rustig door konden varen. Tijdens de bouw diende de doorvaarthoogte niet minder zijn dan 1,50 meter, zodat de scheepvaart niet werd gehinderd tijdens de werkzaamheden. Bovendien ging men er vanuit dat de gemeente Utrecht akkoord zou gaan met het plan. Helaas, de gemeente Utrecht weigerde haar medewerking. Pas in het voorjaar van 1925 kwam er weer beweging in het project, toen er goedkeuring was verkregen van de beide instanties, mits er jaarlijks ƒ 10 werd betaald aan de gemeente Utrecht, als erkenning van de rechten op het jaagpad. Daar men te horen kreeg dat vroeger de Hollandsche Kade door het Dijkgat had gelopen, werd er voor alle zekerheid geïnformeerd bij het Grootwaterschap Woerden of zij recht had op het Dijkgat. Nadat gebleken was dat dit niet zo was kon men eindelijk doorgaan.

De gemeente had indertijd ƒ 1.600  voor de brug gereserveerd . De Fa. Trip kwam nu echter met een bouwsom van ƒ 1.980. Dit vond de gemeente te gortig en ze ging op zoek naar een goedkopere oplossing. De heer J.W. Bronwasser te Breukelen meende dat de bouw van de brug voor ƒ 1.500 mogelijk was. Op 1 mei 1925 werd hem de bouw gegund.

In 2001 werd de kwakel historisch waardevol geacht en bij nader onderzoek bleek de constructie van deze brug zelfs uniek te zijn. Dank zij de inzet van de Stichts-Hollandse Historische Vereniging en de Stichting Hugo Kotenstein heeft het gemeentebestuur het besluit genomen om de Kwakel niet te slopen en te benoemen tot gemeentelijk monument.

Samenstelling: Ad van Rooijen

Bronnen:

  • Harmelen, notulen B & W 20 juli 1922
  • Harmelen, notulen raadsbesluit 28 juli 1922
  • Besluit gedeputeerde staten van de provincie Utrecht 10 april 1923
  • Besluit Gemeente Utrecht 31 oktober 1924
  • Besluit gedeputeerde staten van de provincie Utrecht 23 december 1924
  • Harmelen, notulen raad 14 april 1925
  • Verdam, Middelnederlands handwoordenboek