Het Groene Hart

door: Piet Baas, lid van de projectgroep Harmelen van de SHHV

Hart01
Grenspaal langs de Limes

Het Groene Hart is de groene long van de vier grootste steden van Nederland: Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht. Harmelen is vanuit Utrecht de poort naar het Groene Hart. In het Groene Hart zijn veel mooie wandel- en fietsroutes uitgezet (o.a. de cope-route, die langs Harmelen voert) en bovendien is er volop gelegenheid tot waterrecreatie. En Harmelen heeft wat met groen. Toen ik in 1974 na een jaartje Californie met mijn gezinnetje in de Molenwijk in Harmelen neerstreek, was Harmelen al in de ban van het groen. Met de leus ” Harmelen blijft klein en groen” en met een button met een klavertje drie protesteerde de burgerij tegen de ongebreidelde expansiedrift van burgemeester Bert Smallenbroek.

Hart02

Hij wilde Harmelen laten groeien tot wel liefst 25.000 inwoners! En het protest had succes. Het aantal inwoners van Harmelen is nu weliswaar groter dan in 1974 maar bij lange na niet de door hem geplande 25.000. Minder succesvol was het burgerprotest tegen de gemeentelijke herindelingsplannen. Met de leus “Harme-len blijft zelfstandig” werd lang tegengestribbeld, maar uiteindelijk zijn we toch onder de vlag van Woerden gekomen. Meer succes hadden de protesten in 2006 tegen de plannen van de NV Utrecht, die Harmelen als mogelijke locatie had aange-wezen voor de bouw van 20.000 nieuwe woningen en in 2009 tegen de Structuur Visie van de gemeente Woerden. Met de leus “Houdt Harmelen groen” werden meer dan 1500 bezwaarschriften ingediend. De plannen voor landschapsgebouwen, een industrieterrein in de polder en de sluip-route 6C door de polder, lijken inmiddels voorgoed van de baan.

De Romeinen
Omstreeks het begin van onze jaartelling hadden zich langs de oevers van de rivieren oeverwallen (stroomruggen) met afgezette klei gevormd. Ten noorden en ten zuiden van deze stroomruggen bestond het gebied in onze regio hoofdzakelijk uit onherbergzaam moerasgebied. Op deze stroomruggen langs de rivieren zijn dan ook de eerste menselijke nederzettingen gevonden. Het was dan ook niet verwonderlijk, dat keizer Claudius in het jaar 47 de toenmalige Rijn koos als de noordelijke grens (de Limes) van het Romeinse Rijk. De Rijn fungeerde tevens als belangrijke transportader voor mensen en materialen. Langs de grens werden forten (castella) gebouwd. In onze regio achtereenvolgens in Wijk bij Duurstede, Vechten, Utrecht, Vleuten – De Meern, Woerden, Bodegraven, Zwammerdam, Alphen, Leiden en Valkenburg. Een weg, de Limes, verbond deze castella. De castella werden bezet door enkele honderden soldaten, waarvan het merendeel uit de inheemse bevolking, Kaninefaten en Batavieren, was gerekruteerd. Maar na de Bataafse opstand in het jaar 69, waarbij enkele castella verwoest en verbrand werden, kwamen er meer Romeinse soldaten. Na de val van het Romeinse Rijk bleven de plaatsen rondom de castella bewoond.

Bij archeologisch onderzoek langs de Limes is er veel uit de Romeinse tijd terug gevonden: munten, kledij, ge-bruiksvoorwerpen en restanten van castella. Ook zijn verscheidene delen van de Limes – weg o.a. in de polder Breeveld en in Leidse Rijn bloot gelegd. In 1997 werden in De Meern restanten van een wachttoren gevonden. Deze wachttorens bevonden zich tussen de verscheidene castella. En natuurlijk de spectaculaire vondst van meerdere boten in Zwam-merdam, Woerden (7 stuks!) en De Meern. De Meern1 werd ontdekt in 1997 tijdens graafwerkzaamheden bij de aanleg van de woonwijk Veldhuizen. In 2003 werd het opgegraven en was wekenlang te bezichtigen op de vindplaats in Leidse Rijn. Het wrak van De Meern1 was nog gaaf en wordt momenteel geconserveerd in Leliestad door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het geconserveerde schip zal medio 2015 in Castellum Hoge Woerd in De Meern permanent tentoongesteld worden. Castellum Hoge Woerd ligt aan de zuidkant van het Maxima park. Het wordt een publiekscentrum voor archeologie, cultuur en natuur in de vorm van een Romeins castellum. Ook zullen daar de archeologische vondsten uit de Romeinse tijd tentoon worden gesteld.
Op initiatief van het Bouwfonds Utrecht en de stichting Het Utrechts Landschap werd een replica gemaakt van de Meern1. Deze replica werd in 2009 in De Meern te water gelaten en naar Woerden gevaren. Bij deze gelegenheid werd de boot door Agnes Jongerius “Per Mare ad Laurium” (door de Mare (De Meern) naar Laurium (Woerden)) gedoopt. De Mare was een zijtak van de Rijn, die door het huidige De Meern naar de Hollandse IJssel liep. Ver voor de Middel Eeuwen verlandde zij volledig. De Meerndijk is een restant van deze rivier. Het schip biedt ruimte aan 36 passagiers. Omdat de boot niet kon keren in de smalle Leidse Rijn werd zij door De Meern aan Woerden geschonken.

Hart03

Om het cultuurtoerisme te bevorderen werd het jaar 1997 door de provincie Utrecht uitgeroepen tot “Het Romeinenjaar”. De organisatie kwam in handen van de Stichting 1950 jaar Romeinse Limes. In de hele provincie werden in dat jaar veel activiteiten georganiseerd, variërend van lezingen, tentoonstellingen tot grote publiekmanifestaties. In opdracht van de provincie Utrecht werden langs de Limes vanaf Woerden tot aan Wijk bij Duurstede 20 betonnen grenspalen neer gezet, zoals de Romeinen die vroeger langs hun wegen plaatsten. Daarvan zijn velen terug gevonden. Elke paal is voorzien van de volgende naam “Grens Romeinse Rijk”, het logo van een Romeinse helm en de tekst “47-Romeinenjaar-1997”. Verder staat op de palen de afstand tot de verschillende castella Woerden (Laurum of Laurium). Vleuten – de Meern, Utrecht (Traiectum, doorwaadbare plaats), Vechten (Fectio) en Wijk bij Duurstede (Levefatum ). De afstand wordt zowel weergegeven in Romeinse Mijlen, M.P. als in kilometers, km. De Romeinse mijl, Milia Passuum is een lengtemaat voor duizend dubbele passen en bedraagt 1478 meter. Het aantal Romeinse Mijlen wordt op de palen weergegeven in Romeinse cijfers. De naam van het castellum in Vleuten – De Meern is onbekend.
Lang is gedacht dat Fletione, een naam die op een oude Romeinse wegenkaart, de Tabula Peutingeriana, voorkomt, de oude benaming van Vleuten was. Bijna iedereen neemt nu echter aan dat het een verschrijving van Fectio, Vechten nabij Bunnik is. Hans Joosten van de historische vereniging Vleuten-De Meern- Haarzuijlens heeft een aantal argumenten, die ervoor pleiten dat met de naam Fletio op deze kaart toch het huidige Vleuten is bedoeld. Hij heeft dan ook bedongen, dat op de grenspalen IV,V en VI op de gemeentegrond van Vleuten-De Meern Fletione (vanaf Fletio) in plaats van Vleuten–De Meern staat (persoonlijke mededeling).
De eerste 6 grenspalen zijn te vinden in onze regio: Paal I bij de Geestbrug in Woerden (zie voorkant), paal II (nogal beschadigd) ) aan het begin van Breeveld, vlak over het spoorviaduct, paal III bij de ingang van Het Vijverbos aan de Breudijk, paal IV aan de Dorpeldijk ter hoogte van nr. 3, paal V op de Zandweg iets voorbij de Heldamweg en paal VI aan de Castellumlaan in De Meern.
De pijlen op de palen III (Laurum en Vleuten – De Meern) en V (Laurum en Fletione) naar de castella wijzen jammer genoeg in de verkeerde richting (verkeerde kant van de weg?). Een slordigheidje van de provincie.
Vlakbij paal II is bij een bankje aan de Oude Rijn een groot informatie bord ge-plaatst: De Grens. De grens verwijst zowel naar de Limes als ook naar de grens tussen Holland en het Sticht in de Middeleeuwen.

Fietsroutes
Er zijn 2 fietsroutes uitgezet langs de grenspalen “Fietsen langs de Romeinse Limes”. Van Woerden naar Utrecht en vice versa (45 km) en van Utrecht naar Wijk bij Duurstede en vice versa (50 km). Een folder met deze fietsroutes is te verkrijgen in het documentatie centrum van de historische vereniging Vleuten – De Meern – Haarzuijlens aan de Dorpsstraat 1 in Vleuten. Een beschrijving van een gecombineerde fietsroute Wijk bij Duurstede naar Woerden is ook te vinden op internet (www.educatie.ntr.nl/romeinenenbatavieren en vervolgens door te klikken via de reis naar fietsroute Utrecht). Helaas is grenspaal IV in deze route vergeten.
De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft recent aan de provincies Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland een subsidie toegekend van €500.000 om de Limes beter op de kaart te zetten met zes herkenningspunten en een jaarlijkse themaweek. De Hadrian Wall (het Britse gedeelte van de Limes) en delen van de Limes in Duitsland en Oostenrijk zijn al erkend als UNESCO werelderfgoed.
De Grote Ontginning
In de achtste en negende eeuw waren er langdurige droge periodes met het gevolg, dat grote delen van het moerasgebied enigszins droog vielen. Door de toegenomen welvaart en de bevolkingsgroei werd omgezien naar meer bouwland. Daarom werd het veenland aantrekkelijk voor de mens om zich daar te vestigen. In enkele eeuwen daarna is het uitgestrekte veenlandschap door de boeren ontgonnen en in bezit genomen. Aanvankelijk hadden deze ontginningen het karakter van ‘vrije opstrek’. Dorpsgemeenschappen verlengden hun kavels gemeenschappelijk vanaf de oeverwallen in het moerasgebied. Het gevolg was een zeer onregelmatige vorm van de kavels, die soms meer dan 3 kilometer lang waren. De ontgonnen grond werd daarna verdeeld onder de rechthebbenden.
Aan het recht van de boeren om hun kavels steeds verder in de veenwildernis uit te breiden kwam tenslotte een einde. De woeste gronden waren het eigendom van de Duitse Keizer. Successievelijk schonken Duitse keizers veel van de woeste veengronden aan de bisschoppen van Utrecht. Vanaf het midden van de 11e eeuw tot het midden van de 12e eeuw vond een grootschalige ontginning van het gebied plaats, strak geleid door de bisschoppen van Utrecht. Willem I (bisschop van 1054 – 1076) nam hiervoor het initiatief. De bisschop gaf als ‘vercoper’ stukken wildernis uit door het sluiten van een contract met de gegadigden (copers). Dit waren een soort “middeleeuwse projectontwikkelaars”, die de organisatie en de uitvoering van de bisschop overnamen. Met de naam cope werd zowel dit contract als het te ontginnen gebied aangeduid. De naam van de “project ontwikkelaars” vinden we soms terug in de namen van de polders. Zo zou Teckop afgeleid zijn van Teke of Taeke en Gerverscop van Govert of Gerben. Zij trokken boeren-kolonisten aan, die mee werkten bij de ontginning. Na de ontginning kregen zij het land in eigendom tegen een jaarlijkse betaling van een zeer lage tijns (belasting) aan de ontwikkelaar. Meestal werd een wetering gegraven, die als ontginningsbasis diende.

Hart04

Soms kon men gebruik maken van een bestaande waterloop, kade of weg. Landmeters bepaalden nauwkeurig de grootte van de kavels. De kaveldiepte was zes voorling (1250 a 1300 meter) en de kavelbreedte 30 roeden (110 a 115 meter). De achtergrens en de zijgrenzen van een ontginningsblok werden gemarkeerd door kades, sloten of een nieuwe wetering. De achtergrens diende dan als ontginningsbasis voor een nieuw te ontginnen blok. De sloten tussen de verschillende kavels dienden tevens voor afwatering van de veengrond. Aanvankelijk verliep dit zonder problemen, omdat het woeste moerasgebied 4 meter boven Amsterdams peil lag en het water op een natuurlijke wijze naar het laagste punt liep. Het mooiste voorbeeld van een cope ontginning is wellicht Gerverscop. Ook elders zijn de ontginningen zeer regelmatig van vorm. Het naderen van een obstakel een stroompje of een reeds aan de gang zijnde ontginning veroorzaakte soms kleine afwijkingen van dit stramien.
Ook de graven van Holland lieten het moerasgebied ontginnen. In de diverse polders in het Utrechts – Hollandse grensgebied komen we dan ook regelmatig in de namen het woord cope en verbasteringen daarvan tegen. Naast het reeds genoemde Gerverscop en Teckop, bijvoorbeeld Reierscop, Willeskop, Papekop, Heicop, Putkop, Benschop, Nieuwkoop en Boskoop.

Hart05

Gerverscop
Over het landschap van de veenontginningen schreef Prof. Vervloet, hoogleraar in de historische geografie, het volgende: “De ontginning van de venen in West- en Noord-Nederland, tussen ca. 950 en 1300 was één van de meest ingrijpende gebeurtenissen in de geschiedenis van ons land. Het enorme netwerk van dijken, sloten en weteringen dat ten koste van geweldige inspanningen door onze voorouders in het veen werd aangelegd mag worden aangemerkt als één kolossaal monument met een betekenis vergelijkbaar met de meest belangrijke bouwwerken en fenomenen ter wereld”. Elders in het artikel stelt hij voor het gebied tussen de Oude Rijn, de Ronde Venen en de Vecht (het copen gebied) op de Lijst van het Werelderfgoed van de UNESCO te plaatsen!
De strijd tegen het water
Zoals boven gememoreerd gaf de afwatering van het ontgonnen gebied aanvankelijk geen problemen, omdat het gebied 4 meter boven Amsterdams peil lag en het water vanzelf via de gegraven sloten en de weteringen naar het laagste punt stroomde. Omdat de veengrond voor een groot deel uit water bestaat, trad er bodemdaling op, nog versterkt omdat zuurstof uit de lucht de plantenresten in de droog gevallen veengrond oxideerde tot kooldioxide en water. Dit proces, het inklinken van de veengrond, is ook heden ten dage niet gestopt. In de loop der tijden ontstond een tweede probleem, het verzanden van de rivieren die het water uiteindelijk naar zee moesten afvoeren. Halverwege de twaalfde eeuw verzandde de monding van de Oude Rijn bij Katwijk, met het gevolg dat de pas ontgonnen gebieden weer blank kwamen te staan. Dit effect werd versterkt, omdat de Hollanders bij Zwammerdam, de toenmalige grens tussen Het Sticht en Holland een dam aanlegden zodat het water zich in Utrecht ophoopte. In 1165 gelastte de Duitse keizer, dat de dam moest worden verwijderd, één van de vele geschillen tussen Holland en Utrecht tijdens de Middeleeuwen. De polders in onze omgeving besloten toen om de afwatering deels via de Hollandse IJssel te laten verlopen. Dit bracht slechts soelaas voor een aantal jaren, omdat ook de Hollandse IJssel verzandde. Daarom besloten zij de kanalen de Heicop en de Bijleveld aan te leggen. Via Kockengen voerde de Heicop het water af naar Breukelen en uiteindelijk naar de Vecht. Via Kockengen en Nessersluis voerde de Bijleveld het water af naar de Amstel.
In die jaren werd ook veel schade aangericht door de overstromingen van de Lek. Een gedenksteen in het plantsoentje nabij de brug over de Oude Rijn in het centrum van Harmelen getuigt hiervan. Op de steen staat “DE HOECTE VAN DE LECK 1624” en geeft de hoogte van de waterstand weer bij de overstroming van de Lek. Dit betreft de dijkdoorbraak in 1624 van de Lekdijk Bovendams ter hoogte van “Het Waal”.

Hart06

Een goed waterbeheer en een goede dijkbewaking werden absoluut noodzakelijk. Dit leidde tot de oprichting van diverse waterschappen. Zo werd in 1322 Het Groot Waterschap van Woerden opgericht. Inmiddels zette de bodemdaling zich voort, zodat de afwatering steeds problematischer werd. In de vijftiende eeuw werd molen bemaling van de polders noodzakelijk, in de negentiende en twintigste eeuw opgevolgd door respectievelijk stoom gemalen en elektrische gemalen.
Door de nattere grond werd de landbouw daarom langzamerhand verdreven door veeteelt met de daarbij behorende melk, boter en kaas productie. Ook de turfwinning en kleiafgravingen voor de productie van bakstenen en dakpannen droegen bij aan deze bodem daling. Inmiddels heeft de bodem daling in verscheidene delen van het Groene Hart zich voortgezet tot 1 a 2 meter onder Amsterdams peil. Dit heeft aanleiding gegeven tot de huidige discussie tussen planologen en milieu fanatici om delen van het Groene Hart terug te geven aan de natuur. Natuurlijk vinden zij in de autochtone bevolking en de agrariërs felle tegenstanders. Nabij Haarzuilens stond tot eniger tijd geleden een bord met de leus over de keuze tussen lammetjes in de wei of een moeras!

De auteur heeft gebruik gemaakt van de volgende bronnen:
C.Dekker, Ph.Maarschalkerweerd & J.M.de Winter. 1997; Geschiedenis van de provincie Utrecht.
A.Haartsen. 2003; Het land van Woerden. J.van Es. 2009; Grenswater, Geschiedenis van het groot-Waterschap van Woerden.
E.van Ginkel& L.Verhart. 2009; Onder onze voeten, de archeologie van Nederland.
J.A.J. Vervloet, 1998; Landsheerlijke venen: het cope-ontginningslandschap. In: Historisch Geografisch Tijdschrift, jrg16, nr 3, 150-163
Wateroverlast in Harmelen, www.shhv.info/harmelen/gedenksteen.
J.H.J. Joosten. 1997; Fletione, Fectione en Fictione, Tijdschrift Historische Vereniging Vleuten-De Meern-Haarzuilens, jaargang 17, nr 2, 38-42

Ik bedank Gerard den Engelsman, lid van de projectgroep Harmelen van de SHHV, en Lex Albers, voorzitter van de SHHV, voor het verschaffen van diverse bronnen, die in dit artikel zijn verwerkt.
Ook ben ik dank verschuldigd aan de heren C.W.M.Rasch en J.Bosman van de Historische Vereniging Vleuten – De Meern – Haarzuilens voor door hen verschafte informatie en een foto van de te waterlating van de “Per Mare ad Laurium”. Hans van der Spiegel van de projectgroep Harmelen van de SHHV verzorgde de lay out.