Mariënberg

marienberg
De buitenplaats met boerderij Mariënberg werd omstreeks 1830 gebouwd in opdracht van Bernardus Lenssinck (1774-1834). Hij was ‘mr timmerman’ en grondeigenaar. Tevens was hij wethouder van Harmelen, afgevaardigde ter kantonnale vergadering en belastingzetter. Hij woonde aan de Kalverstraat in Harmelen en heeft de buitenplaats nooit bewoond, wellicht in verband met zijn betrekkelijk jonge overlijden.

In 1834 erfde zijn dochter Maria Verweij-Lenssinck de toen nog naamloze “Heerenoptrek” en naar haar kreeg het de naam Mariënberg. Na haar overlijden erfde haar zoon Cornelis Verweij (1834-1907) de buitenplaats. Evenals zijn grootvader was hij wethouder en gemeenteraadslid van Harmelen. Als zodanig komt zijn naam voor op een herdenkingssteen in de toren van de hervormde kerk te Harmelen. Voorts was hij voorzitter van het waterschap Harmelerwaard en hoogheemraad van Bijleveld en de Meerndijk en medestichter van het gemaal ‘De Adriaan’.

Na zijn overlijden kwam Mariënberg aan zijn zoon Nicolaas Adrianus Gregorius Verweij (1864-1921) en daarna aan diens zusters Maria Clasina en Geertruida Aletta Janssen-Verweij. In 1950 verkocht J.F.J. Baltussen te Elst (Gld) namens de erven Janssen, Mariënberg aan Cornelis Wilhelmus Knijff. Diens zoon, de heer W.C.J. Knijff, is de tegenwoordige eigenaar.

Mariënberg was oorspronkelijk een buitenplaats met boerderij, die apart verhuurd werden. Later werd het huis van de pachter, achter het herenhuis, verlaagd en bij de stal getrokken. Sindsdien bewoonde de pachter het herenhuis.

Van 1892 tot 1908 was de gemeente Harmelen huurder van twee vertrekken aan de westzijde van het huis t.b.v. ‘lijders aan besmettelijke ziekten uit de gemeenten Harmelen en Veldhuizen’.

Het gebouw

Het gebouw staat evenwijdig aan de Utrechtse Straatweg en schuin op de verkaveling; een kenmerk dat het geen echte boerderij was. De plattegrond is L-vormig. De voorgevel is symmetrisch ingedeeld, vijf traveeën breed en twee bouwlagen hoog, onder een brede kroonlijst en met een mansardedak (gebroken kap).

Aan weerszijden van de ingang zijn twee zesruitsvensters; de eerste verdieping bevat vijf vierruitsvensters. De zolderverdieping bevatte oorspronkelijk twee boogvensters; boogvensters zaten ook in de zijgevels van het achterhuis.

De ingangspartij bevat dubbele paneeldeuren met gesneden bovenlicht, geflankeerd door houten Ionische halfzuilen, die het hoofdgestel dragen. De basementen zijn halve achtkanten. Aan de linkerzijde is de opkamer; de opkamer daarachter is vervangen door de keuken. Ten behoeve daarvan werd een venster bijgeplaatst. In de 19e eeuw werd het venster in de zijgevel van de voorste opkamer vervangen door de deuren met een buitentrap. Rechts in de zijgevel van het achterhuis is de ingang van het woonhuis van de boerderij.

De voordeur geeft toegang tot een vestibule, oorspronkelijk met grote marmeren plavuizen. Rechts zijn de voorkamer en de zitkamer, links de opkamer en de keuken. Achter de vestibule is de trap naar de verdieping. Deze heeft in hoofdzaak dezelfde indeling als de begane grond. De kamers aan de voorzijde boven waren ‘en filade’ gelegen; de dubbele deuren lagen in één lijn.

De linkervoorkamer boven bevat nog een gestucte schoorsteennis uit de bouwtijd; op zolder is een opvallend fraai gestoken trapbaluster bewaard gebleven.

Samenstelling: Augustus 2001, Joop van Schaik